04 feb 2019

Ook in 2019 is de overdracht van de algemene heffingskorting verder beperkt. Wat zijn hiervan de gevolgen en voor wie? Wat kunt u eraan doen om vervelende inkomenseffecten zo veel mogelijk te voorkomen?

Cijfers 2019 versus 2018. De algemene heffingskorting bedraagt dit jaar maximaal € 2.477, een stijging van € 212 ten opzichte van 2018. Degenen die de heffingskorting niet zelf kunnen verzilveren, krijgen deze uitgekeerd als ze een partner hebben die wel voldoende belasting betaalt. Degenen die vóór 1963 geboren zijn, krijgen maximaal de hele korting uitgekeerd. Degenen die vanaf 1963 geboren zijn, krijgen maar een deel uitgekeerd. In 2019 bedraagt dit maximaal € 661, terwijl dit in 2018 nog € 775 was. Een daling van € 114.

Afbouw heffingskorting als prikkel

Het doel is om degenen die niet werken te stimuleren dit te gaan doen. Bij voldoende inkomen kan men de algemene heffingskorting namelijk zelf te gelde maken. In 2020 kan nog maximaal 20% van de algemene heffingskorting via de belasting van de partner worden verkregen, in 2021 nog 13,3%, in 2022 nog 6,7% en vanaf 2023 niets meer.

‘Ouderen’ buiten schot? Zoals gezegd blijven degenen die vóór 1963 geboren zijn buiten schot. Zij kunnen de algemene heffingskorting dus wel terugkrijgen. Voorwaarde is wel dat men een partner heeft en dat deze partner voldoende belasting betaalt om de eigen heffingskortingen mee te kunnen verrekenen en die van zijn partner. Er kan dus niet meer heffingskorting verkregen worden dan men samen aan belasting betaalt.

Wat is hieraan te doen?

Degene die de heffingskorting wil behouden, kan zelf betaald werk zoeken. Daarover moet belasting betaald worden, maar eerst mag de algemene heffingskorting hierop in mindering gebracht worden. Alleen al door de algemene heffingskorting hoeft er tot een inkomen van € 6.758 geen belasting te worden betaald. Toch kan het zijn dat betaald werken geen optie is, bijvoorbeeld omdat er kinderen te verzorgen zijn. Gelukkig is er dan in bepaalde gevallen een andere oplossing.

Schuiven met vermogen in box 3

Heeft u geen of onvoldoende inkomen om de algemene heffingskorting te verrekenen en bent u vóór 1963 geboren, dan kunt u de heffingskorting toch verzilveren als u een partner heeft en samen met uw partner over voldoende vermogen beschikt. Over dit vermogen betaalt u in 2019 belasting als dit meer is dan de vrijstelling van € 60.720. Hoeveel belasting u betaalt, is afhankelijk van de omvang van uw vermogen. Hoe meer vermogen u bezit, hoe hoger het veronderstelde rendement is waarover u belasting moet betalen. U mag zelf weten hoe u het vermogen tussen u en uw partner verdeelt in de aangifte. Tip. Zorg er dus voor dat u zich zodanig veel vermogen toerekent, dat u zoveel belasting moet betalen dat u de heffingskorting kunt verrekenen. Een rekenvoorbeeld:

Vermogen                                                € 250.000

Vrijgesteld                                                 € 60.720

Belast € 250.000 -/- € 60.720                 € 189.280

Rendement box 3

1eschijf € 48.006 x 0,13% + € 23.645 x 5,6%

2eschijf € 24.702 x 0,13% + € 92.928 x 5,6%

€ 62 + € 1.324 + € 32 + € 5.204                   € 6.622

Belasting 30% x € 6.622                              € 1.987

Zo kan van de algemene heffingskorting via de vermogensverdeling alsnog € 1.987 worden geïnd.

De afbouw van de algemene heffingskorting kunt u omzeilen door een deel van het vermogen toe te rekenen (in box 1) aan de partner zonder inkomen. Reken indien mogelijk zo veel vermogen toe dat u de heffingskorting volledig kunt verzilveren.